Jeroen Westerman, RCE: trots op extra geld
19 Maart 2026
Jeroen Westerman is adviseur gebouwd erfgoed bij de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE). Hij ziet zichzelf vooral als verbindingsofficier: een schakel tussen erfgoedprofessionals in het land en beleidsmakers in Den Haag. Onlangs werd bekend dat er een nieuwe regeling voor grote restauratieopgaven van rijksmonumenten wordt opengesteld. Over deze regeling, en andere actuele onderwerpen, ging ERM met hem in gesprek.
Het is best een prestatie, in een toch wat grillig politiek landschap waarbij de erfgoedsector de afgelopen jaren met 5 ministers te maken kreeg: een nieuwe subsidiepot voor grote restauratieopgaven van rijksmonumenten met twee keer 22,5 miljoen euro voor 2026 en 2027. De regeling opent in september voor projecten met aan subsidiabele kosten minimaal 2,5 miljoen voor gebouwen en 1 miljoen euro voor groen erfgoed. “Er was in eerste instantie geen extra geld voor erfgoed, maar door slim te zoeken naar mogelijkheden is het mijn collega’s in Den Haag en Amersfoort toch gelukt. Daar zijn we ook best trots op”, aldus Westerman. “In principe wordt het geld voor dit soort restauratieopgaven door de provincies verdeeld, maar we signaleerden dat de echt grote restauratieopgaven daarbij vaak niet aan bod kwamen. Met deze regeling hopen we een aantal van die projecten verder te helpen, al zal het nooit genoeg zijn. Het is de bedoeling de regeling voort te zetten en een nieuwe ronde te openen, als er nieuw budget vrij komt. Het fijne is dat de regeling nu opgetuigd is en we dus snel kunnen schakelen als er op landelijk niveau financiële ruimte is.”
Als “verbindingsofficier” werkt Westerman over de volle breedte van het erfgoedveld: hij schakelt met het bestuursdepartement in Den Haag, en hoort tegelijkertijd uit het erfgoedveld wat de ontwikkelingen zijn. Westerman: “Er is veel overleg tussen provincies, gemeenten, het Rijk en organisaties als de FIM en ERM. En dat overleg heeft de afgelopen jaren een goede en regelmatige structuur gekregen, dat is zeker positief. Zo signaleren we de knelpunten ook sneller.”
Eén van die knelpunten is bijvoorbeeld het gebrek aan capaciteit op erfgoedgebied bij gemeenten, waardoor toezicht en handhaving op werk aan het monumenten in het gedrang komt. Het leidde tot het project ‘Erfgoed en Overheid’, waarin het Rijk samen optrekt met het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). Westerman: “Het speelt niet bij elke gemeente, maar er zijn te veel gemeenten die niet genoeg capaciteit en kennis hebben om het werk rondom monumenten goed uit te voeren. Het project is gericht op het versterken van de basisinfrastructuur in gemeenten, en bevindt zich nu in een pilotfase. De komende jaren moeten zoveel mogelijk gemeenten ondersteund worden. Belangrijk daarbij vindt hij de aandacht voor de ambtenaren die rondom een erfgoedambtenaar werken. “Die hebben vaak een kennisachterstand, ze herkennen erfgoed en het belang daarvan soms niet. En ze komen dan ongewild in de positie van hindermacht, terwijl het een volwaardig belang is. Wanneer er meer begrip en waardering voor erfgoed is bij iemand die zich bezighoudt met ruimtelijke ontwikkeling of bouw- en woningtoezicht, bereik je veel meer in de doelstelling om bijzondere gebouwen te behouden.”
Voor Post65-architectuur, gebouwd tussen 1965 en 1990, is op gemeentelijk niveau vaak meer aandacht belangrijk. De RCE nam in 2019 de eerste stappen richting rijkserkenning van dit jonge erfgoed, om te laten zien wat voor bijzondere en karakteristieke objecten er uit deze periode stammen. “Bij Post65 gaat het, in vergelijking met bijvoorbeeld 17e eeuws erfgoed, meer om verhalen die ons nog heel na staan”, aldus Westerman. “Daarom zijn we de verkenning gestart met een bevolkingsonderzoek naar wat mensen markant vinden uit deze periode. Daar komen heel uiteenlopende thema’s uit als de Koude Oorlog, vakanties naar het buitenland, de eerste gastarbeiders. Het heeft geleid tot een eerste lijst van 15 mogelijke Rijksmonumenten, zoals Station Lelystad en de eerste moskee van Nederland in Almelo. De volgende stap is een bredere selectie van circa 150 nieuwe rijksmonumenten om de verhalen en de bouwkunst van Nederland in die tijd goed te borgen. Natuurlijk is het ontwerp en de gaafheid van een gebouw belangrijk, maar het zijn minder prominente criteria dan bij de selectie van de ‘klassieke’ rijksmonumenten. Bij de selectie gaat het nu veel nadrukkelijker ook om de betekenis voor mensen in brede zin.”
Een ander actueel thema is funderingsschade aan monumenten. Daar vindt op 23 april bij de RCE een congres over plaats, met de pakkende titel ‘Monumenten op Tilt’. “Doel van die sessie is het verkrijgen van inzicht in de problematiek en om een netwerk rondom gebouwd erfgoed en funderingen op te bouwen. De funderingsproblematiek is een nationaal probleem: in steden als Rotterdam en Zaandam gaat het om verzakkingen als gevolg van grondwaterstanden, terwijl in Groningen ook de aardbevingsproblematiek een rol speelt. Het zou mooi zijn ook een overzicht te maken van de actuele opgaven.”
Het beleid waar Westerman aan werkt en de sessies waar de RCE het voortouw in neemt dienen uiteindelijk allemaal het hogere doel: instandhouding van het belangrijkste Nederlandse erfgoed. “Daarbij is oog voor de kwaliteit van restauratiewerk essentieel. Ik woon zelf in Utrecht, en volg de restauraties daar op de voet, bijvoorbeeld van de Domtoren. Wat me opvalt, is dat restauraties vaak bijna volledig bestaan uit het repareren van eerdere restauraties. Het originele materiaal is vaak nog redelijk goed, terwijl juist de eerdere restauraties aan herstel toe zijn. Dat onderstreept de noodzaak om een restauratie zo goed mogelijk te doen en die ook nauwgezet te documenteren, zodat toekomstige monumentenzorgers weten wat er gebeurd is."
"Gezien de instandhoudingssubsidies die we als overheid geven, vinden we zorgvuldig restaureren van essentieel belang. We zijn het als sector verplicht naar de maatschappij die daar geld voor beschikbaar stelt. Dat is ook de reden dat het ministerie van OCW Stichting ERM belangrijk vindt: doordat de sector met heldere normen komt, ontstaat er duidelijkheid over wat wij in de monumentenzorg als kwaliteit bestempelen. Het mooie aan Nederland is dat de richtlijnen ook echt vanuit de sector zelf komen, en niet van bovenaf opgelegd worden door de overheid. Collega’s in andere landen verbazen zich daar weleens over: daar hebben ze bijvoorbeeld architecten bij de overheid werken die opdragen hoe je iets moet doen. Dat we in Nederland regels hebben die door de erfgoedgemeenschap in de volle breedte geformuleerd worden, is iets om trots op te zijn. Het betekent veel overleggen en het lang niet altijd met elkaar eens zijn, maar uiteindelijk toch met een breed gedragen resultaat eindigen. Daar blijf ik ook graag aan bijdragen.”